Afschrijving op investeringen
Afschrijven
De aanschaffingskosten van investeringen worden niet in het jaar van aanschaf ineens ten laste van de winst gebracht maar worden verdeeld over de levensduur als kosten geboekt. Dat wordt afschrijven genoemd.
Een voorbeeld: de aanschaf van een machine die 5 jaar meegaat, en € 4.000 kost wordt weliswaar in de boekhouding van het jaar van aanschaf voor het volle bedrag geboekt maar de aanschaffingskosten worden vervolgens verdeeld over 5 jaar. De kosten die ten laste van de winst worden gebracht zijn € 800 per jaar. Niet dus: € 3.600 kosten in het jaar van aanschaf.
De belastingwetgeving schrijft voor dat je roerende goederen afschrijft in minimaal 5 jaar.
Stel nu dat je een computer aanschaft, waarvan je weet dat je hem na 3 jaar aan de kant zet om weer een bij de tijdse computer te kopen. Stel, hij kost € 1.200. De jaarlijkse afschrijving zou dan in 3 jaar 3 keer € 400 moeten zijn. Omdat de fiscale wetgeving voorschrijft dat je in minimaal 5 jaar moet afschrijven, bedraagt de fiscale afschrijving 5 jaar 5 keer € 240.
Afschrijven naar tijdsgelang
Als in de loop van een jaar geďnvesteerd wordt zal in dat jaar maar een gedeelte worden afgeschreven, naar rato van het aantal maanden van het gebruik. Stel dat op 1 mei 2010 is geďnvesteerd in een machine van € 3.000 die 5 jaar meegaat, dan is de afschrijving in 2010 € 400; in 2011 € 600; in 2012 € 600, in 2013 € 600; in 2014 € 600 en in 2015 € 200.
Boekwaarde
Na afschrijving daalt de waarde waarvoor de investering op de balans wordt opgenomen. Na verloop van de levensduur wordt deze waarde, de boekwaarde genaamd, € 0. Als je uitgaat van het vorige voorbeeld wordt de boekwaarde op de balans van 31 december 2010 € 2.600; op 31 december 2011 € 2.000; op 31 december 2012 € 1.400; op 31 december 2013 € 800; op 31 december 2014 € 200 en op 31 december 2015 € 200 Op 31 december 2016 bedraagt de boekwaarde € 0.
Restwaarde
In de vorige voorbeelden is de uiteindelijke boekwaarde op € 0 gesteld. Eigenlijk moet worden uitgegaan van een geschatte levensduur waarna een geschatte restwaarde overblijft. Stel, er wordt een machine gekocht voor € 6.000 die na 5 jaar zal worden afgestoten. De opbrengst of restwaarde op dat moment wordt nu geschat op € 500. Er moet dan een kostenpost van € 5.500 worden verdeeld over 5 jaren. De jaarlijkse afschrijvingskosten bedragen € 1.100.
Zijn er vaste regels voor afschrijving?
Enkele:
De eerste regel is dat je vooraf een schatting maakt van de levensduur en de restwaarde na verloop van de tijd die jíj gebruik wilt maken van de investering. Het gaat er dus niet om of een computer 2, 3 of 4 jaar meegaat; het gaat erom hoelang jíj hem wilt gebruiken. Dat kan ook anderhalf jaar zijn wanneer je voortdurend de nieuwste wilt hebben.
De tweede regel is dat je uitgaat van de geschatte economische levensduur en niet van de werkelijke levensduur. Je bedrijfsfiets gaat misschien wel 20 jaar mee maar na 4 jaar staat hij echt alleen maar als reserve in je bedrijfsruimte voor wanneer je nieuwe bedrijfsfiets even in de reparatie is. De afschrijvingstermijn is dan 4 jaar.
De derde regel is dat je een bestendige gedragslijn hanteert. Een eenmaal vastgesteld percentage afschrijving kan niet zo maar worden gewijzigd; je gaat er mee door totdat de restwaarde is bereikt of totdat het bedrijfsmiddel niet meer wordt gebruikt.
De vierde regel is dat de betrekkelijke vrijheid die je hebt bij het bepalen van de afschrijvingstermijn beperkt is. De jaarlijkse afschrijvingskosten die ten laste van de fiscale winst gebracht mogen worden, zijn:
- Roerende goederen: maximaal 20% van de aanschaffingswaarde.
- Onroerend goed dat in het bedrijf gebruikt wordt: tot 50% van de WOZ-waarde mag worden afgeschreven.
- Onroerend goed ten behoeve van een belegging: tot 100% van de WOZ-waarde mag worden afgeschreven.
- Goodwill: maximaal 10% van de aanschaffingsprijs.
Het gevolg van deze vierde regel kan in de praktijk wat ingewikkeld uitpakken.
Stel dat je computers hebt aangeschaft. Je weet nu al dat ze na drie jaar aan de kant gaan en vervangen worden. Je mag dan toch maar 20% per jaar afschrijven. Na drie jaar gaan ze naar de sloop en je koopt nieuwe computers. Van de oude computers wordt dan resterende boekwaarde afgeboekt tot € 0. De afschrijving die je in de eerste drie jaren feitelijk te weinig hebt geboekt, komt als kostenpost in dat derde jaar terecht.
Bijzondere afschrijvingsregels voor 2009 en 2010
Om tijdens de economische crisis het investeren te stimuleren is er voor 2009 en 2010 weer een nieuwe afwijking van de normale afschrijvingsregels bedacht. In plaats van de beperking tot 20% voor de jaarlijkse afschrijving is er nu een verruiming tot 50% afschrijving toegestaan wanneer het gaat om investeringen die in 2009 en 2010 zijn gedaan.
Deze ruime afschrijving hoef je niet toe te passen. Je mag er ook voor kiezen een veel lager percentage toe te passen. Dat kan handig zijn als je de winst hiermee wilt beďnvloeden tot een zodanig bedrag dat je bij voorbeeld net geen inkomstenbelasting hoeft te betalen.
Willekeurige afschrijving
Op al deze vrij vaste uitgangspunten mogen startende zelfstandigen een afwijking toepassen: de willekeurige afschrijving.
Terug
Dit is voorlichting met het doel ingewikkelde fiscale materie toegankelijk en begrijpelijk te maken. Aansprakelijkheid voor de inhoud kan
niet worden aanvaard.
|