Door Europese rechtspraak zijn er veranderingen gekomen in de manier waarop je met het gemengd gebruik van investeringen moet omgaan, voor wat betreft de omzetbelasting.
Hoofdlijnen
Gemengd gebruik betekent dat je een investering doet voor je onderneming terwijl je er ook voor privé-doeleinden gebruik van maakt. Bij voorbeeld een aanhanger voor achter de auto, waarmee je zakelijk vervoer verricht en waarmee je ook op vakantie gaat. Of computers die je deels zakelijk, deels privé gebruikt. Of een woning die je laat bouwen, en waarin je ook een werkruimte voor jezelf inricht.
De hoofdregel is dat, wanneer je een investering doet voor zakelijk gebruik, je alle omzetbelasting mag terugvorderen. Ook wanneer het gebruik niet uitsluitend zakelijk is. Aan de omvang van het zakelijk gebruik zijn geen voorwaarden gesteld. Dus zelfs wanneer je investeert in een camera die je voor ongeveer 5% zakelijk gebruikt en voor 95% in de privé-sfeer inzet, geldt dat je bij aanschaf de volledige omzetbelasting terug kunt vragen.
Daar tegenover staat dat het privé-gebruik wordt beschouwd als een fictieve dienst van de ondernemer aan zichzelf als privé-persoon. Daarover is dan jaarlijks omzetbelasting verschuldigd. Wanneer dat privé-gebruik jaarlijks wisselt moet jaarlijks de verschuldigde omzetbelasting daarop worden aangepast.
Een voorbeeld
Stel, je bent grafisch ontwerper en je investeert in een camera van € 2.000 exclusief omzetbelasting. Deze camera wordt naar schatting voor 20% beroepsmatig ingezet en voor 80% in de privé-sfeer. Bij aanschaf mag de door de ondernemer betaalde voorbelasting van € 380 (19% van € 2.000) geheel worden teruggevraagd.
Daar staat tegenover dat jaarlijks het privé-gebruik moet worden vastgesteld en moet worden belast met 19%. Dat privé-gebruik is 80%. Bij roerende goederen als deze camera wordt aangenomen dat dit privé-gebruik wordt genoten over een periode van 5 jaar; een soort fictieve gebruiksduur. Dat betekent dat jaarlijks de waarde van het privé-genot wordt gesteld op 80% van € 2.000 gedeeld door 5, ofwel € 320. Over die € 320 moet jaarlijks 19% omzetbelasting worden afgedragen, ofwel € 61. Na 5 jaar is de door de privé-persoon betaalde omzetbelasting 5 * € 61 ofwel € 305, wat overeenkomt met 80% van de eerder genoemde € 380.
Wisselend privé-gebruik
In het voorbeeld hiervóór werd aangenomen dat het privé-gebruik jaarlijks constant is. Dat hoeft niet zo te zijn. Wanneer het privé-gebruik in het eerste jaar 80% en in de volgende 4 jaren respectievelijk 60%, 40%, 30% en 70% is, moet jaarlijks over die verschillende fictieve diensten omzetbelasting worden afgedragen. In het eerste jaar dus 80% van € 2.000, gedeeld door 5, ofwel € 61. In het tweede jaar 60% van € 2.000 gedeeld door 5, ofwel € 46. Daarna respectievelijk € 46, € 23 en € 53.
De vraag is natuurlijk nog wel hoe je dat privé-gebruik jaarlijks vaststelt. Als er geen concrete gegevens zijn moet dat maar schattenderwijs gebeuren. Belangrijk is het in elk geval dat de ondernemer zelf aangifte moet doen over het privé-gebruik en het initiatief niet mag overlaten aan de belastingdienst.
Wanneer de fictieve dienst aan het verlaagd tarief van 6% onderworpen is, geldt natuurlijk dat lagere tarief. Ook wanneer de investering bij aanschaf gefactureerd was met 19%.
De termijn voor het privé-gebruik
Hiervóór is een voorbeeld gegeven waarin gei¨nvesteerd is in een roerend goed. Voor roerende goederen geldt een fictieve gebruiksduur van 5 jaar. Voor onroerende goederen geldt een fictieve gebruiksduur van 10 jaren.
De werkelijke praktijk
Hierboven is een methode beschreven die voldoet aan de gebruikelijke uitleg van de Europese richtlijn. Ingewikkeld om uit te leggen, en ook onhandig om toe te passen. Het grootste voordeel zit in het feit dat je eerst alle omzetbelasting trerugvraagt en pas daarna iets moet afdragen over het privégebruik. Het is dus niet nominaal voordelig, maar het geeft een liquiditeitsvoordeel.
Een liquiditeitsvoordeel kan erg belangrijk zijn, vooral bij grote investeringen. Maar het betekent wel dat je je er elk jaar weer mee bezig moet houden.
In de praktijk wordt het geaccepteerd door de belastingdienst dat je er wat makkelijker mee omgaat. Dat wil zeggen, je bepaalt op het moment van de investering hoe groot het privégebruik op langere termijn zal zijn. Dat druk je uit in een percentage. Dat percentage gebruik je om meteen bij de investering een deel van de omzetbelasting niet terug te vragen.
Een voorbeeld: je koopt een video-installatie voor € 4.000 exclusief omzetbelasting. De omzetbelasting is 19% daarvan ofwel € 760. Je denkt na over je privégebruik in de komende jaren en je komt tot de verwachting dat je deze video-installatie voor 12% van de tijd gebruikt in de privésfeer. Dan vraag je op het moment van de investering niet 100% van de omzetbelasting terug, maar 88%.
Terug