Fiscale oudedagsreserve

FOR

Eén van de fiscale tegemoetkomingen voor zelfstandigen is de regeling voor de zogenaamde Fiscale Oudedagsreserve. Bij het tot stand komen van deze regeling was het uitgangspunt dat zelfstandigen véél moeilijker tot een inkomensvoorziening voor de oude dag kunnen komen, dan zij die in loondienst zijn. Immers, als loongenieter ben je vaak als vanzelf aangesloten bij een pensioenfonds, terwijl de premies door de werkgever worden afgedragen. Die premiebetaling hoort tot de secundaire arbeidsvoorwaarden. Zonder dat je hoeft af te wegen of je je beloning nú wilt besteden of pas na je pensionering, is die keuze al gemaakt. Een deel van je beloning wordt opzij gezet voor later. Zelfstandigen hebben het daarin moeilijker: 

  • Het geld voor een oudedagsvoorziening komt uit de winst, die ook nog wordt gebruikt voor investeringen en voor groei van vorderingen en voorraden. 
  • De winst is behalve een jaarinkomen, ook een buffer voor slappe tijden. 
  • De winst is ook een buffer tegen mogelijke acute tegenvallers. 
  • De winst is een overbrugging voor perioden van ziekte. 
  • De winst moet gebruikt worden voor aflossing van schulden.
Weliswaar zijn de zelfstandigenaftrek en de winstvrijstelling een antwoord op dezelfde problemen, maar toch blijkt dat de opbouw van een oudedagsvoorziening lijdt onder het tekort aan kapitaal dat uit de winst kan worden vrijgemaakt. Daarom is het scala aan fictieve winstverminderingen bij de berekening van de belastingheffing ook voorzien van een regeling die het een zelfstandige makkelijker maakt om een oudedagsvoorziening te vormen en op te bouwen. 


Reserveren voor latere besteding aan een oudedagsvoorziening 

Wanneer een zelfstandige een oudedagsvoorziening wil opbouwen mag hij of zij daarvoor jaarlijks een bedrag fictief opzij zetten, opdat de besteding daarvan later kan gebeuren wanneer de liquiditeit in de onderneming dat toelaat. Fictief opzij zetten betekent dat je het bedrag nog niet werkelijk opzij zet, maar dat je wèl alvast daarmee het inkomen kunt verminderen vóórdat er inkomstenbelasting wordt geheven. Daarmee wordt bereikt dat je alvast een belastingvermindering geniet, nog vóórdat je daadwerkelijk een premie voor de oudedagsvoorziening betaalt. Die belastingvermindering stelt je in staat om uit je winst nu al geld over te houden, en dat pas later, wanneer het je financieel uitkomt, om te zetten in een echte verzekering voor de oude dag. Dat is gunstig. De reservering mag jaarlijks (voor 2020) 9,44% van de winst bedragen, met een maximum van
€ 9.218. Stel dat je in een jaar een winst geniet van € 30.000. Dan mag je die winst verminderen met 9,44% ofwel € 2.832, vóórdat er inkomstenbelasting wordt geheven. Dat levert je een belasting- en premiebesparing op van ongeveer 40%. Het moment waarop je later een premie gaat storten voor een verzekering mag je zelf bepalen. 

Papaver

Hoe verloopt de opbouw van de fiscale oudedagsreserve? 

Stel dat je achtereenvolgens in opeenvolgende jaren een beroepswinst geniet van € 30.000, € 36.000 en € 32.000. In elk van die jaren zou je maximaal 9,44% mogen reserveren. Dat betekent dat na het eerste jaar de reserve € 2.832 bedraagt na het tweede jaar de reserve € 6.230 bedraagt na het derde jaar de reserve € 9.250 bedraagt Je hebt na drie jaar een belastingbesparing gekregen van ongeveer 40% daarvan ofwel € 3.700. Dit is een grof gemiddelde. Je werkelijke belastingbesparing hangt af van veel factoren in de berekening van je inkomen. 


Bestedingsverplichting? 

Je bent niet verplicht de fiscale oudedagsreserve te besteden aan premies voor een oudedagsvoorziening. Deze regeling biedt je wèl de mogelijkheid om dat te doen. Zolang je geen bestedingen uit de reserve doet geniet je tòch het belastingvoordeel omdat de toevoegingen aan de reserve telkens het belastbaar inkomen verminderen. Dat klinkt als te mooi om waar te zijn. Zo mooi is het niet. Immers, wanneer je stopt met ondernemen, of emigreert, of dood gaat, en in nog enkele andere bijzondere gevallen, moet de reserve worden opgeheven. Op dat moment wordt de reserve afgeboekt tot € 0. Die afboeking verhoogt dan het belastbaar inkomen en er wordt progressief inkomstenbelasting over geheven. 


Een voorbeeld. 

Stel je hebt in 10 jaar tijd, bij een gemiddelde winst van ongeveer € 30.000 per jaar, een reserve opgebouwd van € 36.000. Je hebt niets van deze reserve gebruikt voor een oudedagsvoorziening. Je staakt je praktijk. In je laatste belastingjaar wordt de reserve afgeboekt tot € 0. Je inkomen wordt daardoor verhoogd met € 36.000. De belastingheffing daarover is afhankelijk van véél toevallige factoren in dat laatste jaar van je onderneming, maar laten we uitgaan van een belastingheffing van gemiddeld ongeveer 40%. De inkomstenbelasting bedraagt dan ongeveer € 14.400. Daarmee wordt het belastingvoordeel dat je hebt genoten voor een groot deel weer teniet gedaan. Dat is misschien niet eens zo erg omdat het ook wel handig was dat je intussen die bespaarde € 14.400 hebt kunnen inzetten in je eigen onderneming. Maar een groot en onderschat nadeel is dat je in dat laatste jaar ineens een belastingaanslag moet ophoesten waarop je niet gerekend had. Je kunt het dom noemen dat je zo'n 'latente' belastingschuld vergeet, maar toch is dat meer regel dan uitzondering. Het afrekenen van de fiscale oudedagsreserve bij staking van de onderneming of bij overlijden komt meestal zeer ongelegen. 


En nu de bijzonderheden 

Tot zover hebben we alléén de hoofdlijn behandeld. Die hoofdlijn is dat je een deel van de winst uit onderneming jaarlijks mag toevoegen aan een reserve, die je mag besteden aan oudedagsvoorzieningen. Je hebt dan meteen al de fiscale aftrek en daardoor belastingbesparing. De besteding komt later en als je die achterwege laat, betaal je gewoon later je belastingvoordeel terug. Hierna een wat diepgaander behandeling van allerlei mitsen en maren. De berekening van de fiscale winst voor de aftrek De toevoeging van maximaal 9,44% van de winst wordt berekend over de 'fiscale winst'. De fiscale winst is de winst volgens de verlies-en winstrekening, die op bedrijfseconomische grondslagen is vastgesteld, en die vervolgens wordt gecorrigeerd met specifieke fiscale regels. 


Maximaal 9,44%? 

Er mag niet onder alle omstandigheden 9,44% worden toegevoegd aan de oudedagsreserve. Er zijn enkele begrenzingen: Er moet voldaan zijn aan de criteria voor de zelfstandigenaftrek, dat wil zeggen aan het aantal ondernemingsuren dat besteed is in de onderneming. Meestal is dat minimaal 1.225, en aannemelijk gemaakt door een goede tijdadministratie. De fiscale oudedagsreserve maakt deel uit van het ondernemingsvermogen. Daarom mag de reserve nooit verder worden opgebouwd dan het ondernemingsvermogen bedraagt. Dat kan leiden tot een lagere toevoeging dan 9,44% van de fiscale winst, of zelfs tot géén toevoeging. De toevoeging mag niet hoger zijn dan € 9.218 per jaar. Je kan niet los van bovenstaande een lager percentage of een willekeurig bedrag toevoegen. Een voorbeeld van een beperkte toevoeging bij een te laag ondernemingsvermogen: stel dat aan het eind van het jaar het ondernemingsvermogen € 14.000 bedraagt, waarvan de fiscale oudedagsreserve € 11.000 bedraagt. Die reserve van € 11.000 is in de loop van de voorbije jaren opgebouwd. De ruimte voor toevoeging aan de reserve is nu maximaal € 3.000. Stel nu dat de winst in dat jaar € 40.000 bedroeg. Aan de fiscale oudedagsreserve mag dan 9,44%, ofwel € 3.776 worden toegevoegd, ware het niet dat de ruimte voor toevoeging slechts € 3.000 bedraagt. De toevoeging, dus de fiscale aftrekpost, bedraagt daarom in dit geval maximaal € 3.000 en niet € 3.776. 

Kronkelblad

Vermindering van de reserve door besteding 

De oudedagsreserve neemt af door besteding van het opgebouwde bedrag aan inkomensvoorzieningen voor de oude dag. Daarmee voldoe je aan de bedoeling van de oudedagsreserve. Er zijn twee manieren om te voorzien in een oudedagsvoorziening: de storting van een premie of koopsom bij een verzekeringsmaatschappij voor een lijfrenteverzekering de storting van een bedrag op een geblokkeerde spaarrekening bij een bank, met de verplichting om op een zeker tijdstip het bij de bank opgebouwde saldo te besteden aan een lijfrenteverzekering Tot voor kort was alleen de eerste manier toegestaan. Dat leidde tot een monopolie van verzekeraars op dit soort producten en dat heeft weer geleid tot de zg woekerpolissen die bovendien door agressieve verkooptechnieken massaal aan de medemens zijn gebracht. Sinds een paar jaar is het ook toegestaan dat banken aan de competitie meedoen. Het zg 'banksparen' houdt in dat je geld stort op een deposito dat blijft staan tot je pensioendatum. Je krijgt rente. Dit bedrag mag je later, onder voorwaarde die vaak van begin af aan worden vastgelegd, opnemen. Bij die opname houdt de bank loonbelasting in. Het moment van besteding bepaal je in beide gevallen zelf. Je kunt dus van jaar tot jaar besluiten of je liquiditeit het toelaat om de reserve om te zetten in een inkomensvoorziening. 


Verplichte vermindering van de reserve 

De reserve kun je in beginsel alleen verlagen door premies te betalen, tenzij je wettelijk verplicht bent om de oudedagsreserve geheel of gedeeltelijk te verminderen. Een verplichte vermindering betekent dat de eerdere toevoegingen verplicht weer terugvloeien naar het inkomen. Net zoals de toevoegingen leiden tot belastingvermindering, leiden de verplichte verminderingen mogelijk tot belastingheffing. Er zijn drie momenten die kunnen leiden tot verplichte vermindering: 

  1. de onderneming wordt beëindigd 
  2. je voldoet voor het tweede achtereenvolgende jaar niet meer aan het urencriterium voor de ondernemersaftrek 
  3. je hebt op 1 januari van het jaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt
Het eerste moment, einde van je onderneming of beroepspraktijk, behandelen we in de volgende paragraaf, omdat daarover véél te zeggen valt. Het tweede en derde moment, het niet meer voldoen aan het urencriterium of ouder zijn dan de AOW-leeftijd, behandelen we hier: Het voldoen aan het urencriterium, dat inhoudt dat je aannemelijk weet te maken dat je in het kalenderjaar minstens 1.225 uren hebt besteed aan het ondernemen, is een voorwaarde voor het mogen opbouwen van de fiscale oudedagsreserve. Wanneer je die 1.225 uren niet meer haalt, of ze niet meer aannemelijk weet te maken, moet de oudedagsreserve worden verminderd. Maar niet meteen voor het volle pond. Wanneer je twee jaar lang niet meer voldeed aan dat urencriterium moet in het tweede jaar de reserve verminderd worden tot aan het niveau van het bedrijfsvermogen. Immers, de reserve maakt deel uit van het bedrijfsvermogen. De reserve mag best hoger zijn dan het bedrijfsvermogen, maar wanneer je niet meer aan het urencriterium voldoet of inmiddels ouder bent dan de AOW-gerechtigde leeftijd, geldt dat niet meer. 


Een rekenvoorbeeld: Stel dat je een ondernemingsvermogen hebt van € 15.000. In de loop van een aantal jaren heb je een oudedagsreserve opgebouwd van € 20.000. Een hogere reserve dus dan het huidige bedrijfsvermogen. Geen probleem, totdat je werkzaamheden als ondernemer zover zijn teruggelopen dat je minder dan 1.225 uren per jaar besteedt. Na twee jaar te weinig uren moet de reserve verplicht dalen naar € 15.000. Er vloeit dus in dit geval € 5.000 terug naar het inkomen. Daarover betaal je inkomstenbelasting. Hoeveel dat is hangt af van je inkomen in dat jaar. Misschien méér dan de besparing die je eerder hebt genoten, misschien minder. Wanneer in een volgend jaar het bedrijfsvermogen verder daalt van € 15.000 naar bij voorbeeld € 7.000, terwijl ook het aantal in de onderneming bestede uren minder is dan 1.225, moet er opnieuw een verplichte vermindering plaatsvinden naar € 7.000. Dat wordt een vermindering van € 8.000 die vervolgens het inkomen verhoogt. Misschien leidt dat ook weer tot belastingheffing, afhankelijk van de omvang van het overig inkomen. Wanneer daarna weer méér dan 1.225 uren per jaar in de onderneming worden besteed, mag de fiscale oudedagsreserve weer groeien volgens de gebruikelijke methode, tot maximaal de hoogte van het bedrijfsvermogen. Als je wilt voorkomen dat je de oudedagsreserve verplicht moet verminderen, dan is het van belang dat je de omvang van het ondernemingsvermogen rond de datum van 31 december in het oog houdt. Mogelijk kun je je banksaldo in het ondernemingsvermogen op een zodanig peil houden dat het ondernemingsvermogen hoog genoeg blijft voor het instandhouden van de oudedagsreserve. Daar zijn echter grenzen aan. 

Kogeldistel

Afboeking van de reserve bij staking van de onderneming 

Een fiscale oudedagsreserve wordt weer tot het inkomen gerekend wanneer je stopt met ondernemen, of emigreert of dood gaat. In dat geval wordt je inkomen verhoogd. Tenzij je de oudedagsreserve alsnog besteed aan een oudedagsvoorziening, kun je dan geconfronteerd worden met forse nadelen door hogere belastingheffing en een in dat jaar van beëindiging van je onderneming verminderd recht op inkomensafhankelijke regelingen. Per saldo valt het doorgaans gunstig uit. De voordelen over een langere periode zijn meestal groter dan het incidentele nadeel in het jaar van beëindiging. Daarbij komt dat de afboeking van de oudedagsreserve bij beëindiging van de onderneming wordt beschouwd als zogenaamde stakingswinst. Daarvoor geldt een vrijstelling van € 3.630, de zogenaamde stakingsaftrek. 


Een rekenvoorbeeld: Stel je hebt doorgaans een winst van ongeveer € 30.000. Je hebt gedurende 5 jaar een bedrag toegevoegd aan de oudedagsreserve van telkens ongeveer € 3.000. Dat leverde jaarlijks een belasting- en premievoordeel op van ongeveer € 1.200. Je had daardoor een lagere inkomensafhankelijke zorgpremie van jaarlijks € 180. Het lagere inkomen leverde je per jaar een hogere zorgtoeslag op van € 200, een hogere huurtoeslag van € 400 en een hogere bijdrage aan het kind gebonden budget van € 250. Je hebt dan over 5 jaar een voordeel genoten van € 11.150. Na 5 jaar komt het einde van de onderneming. In dat jaar wordt de winst verhoogd met de afboeking van de oudedagsreserve. Die is op dat moment € 18.000 wanneer je hem niet besteed hebt aan een oudedagsvoorziening. De afboeking van € 18.000 verhoogt je belastbaar inkomen, zij het dat daarop eerst de stakingsaftrek van € 3.630 wordt afgetrokken. Je betaalt dus inkomstenbelasting over het restant van € 14.370. Stel dat je inkomstenbelastingpercentage in het jaar van staking 40% is, dan bedraagt de inkomstenbelasting over de afboeking € 5.750. De inkomensafhankelijke zorgpremie kost je in dit jaar ongeveer € 600 méér. Bovendien krijg je in dat jaar, nemen we aan, geen toeslagen meer. Nadeel: € 850. Het totale 'nadeel' door de afboeking bedraagt € 7.200. In de afgelopen 5 jaar heb je een voordeel genoten van € 11.150. Bij het einde van je onderneming betaal je daarvan € 7.200 terug. Per saldo een behoorlijk voordeel. Overigens kan dit voordeel in alle mogelijke berekeningen hoger of lager uitvallen, afhankelijk van overige inkomensgegevens. Het grootste nadeel van de mogelijke latere afrekening is niet zozeer dat je een deel van de eerder genoten voordelen moet terugbetalen. Immers je houdt meestal een reëel voordeel over. Echter, de kans is groot dat je er in dat jaar van beëindiging niet meer aan denkt dat de oudedagsreserve moet worden afgeboekt. De belastingaanslag komt dan vaak als een heel vervelende verrassing. 


Onze boodschap is daarom: wanneer je overweegt van de fiscale oudedagsreserve gebruik te maken; doe dat dan na grondige afweging van de huidige voordelen ten opzichte van het mogelijk latere nadeel. Ook wanneer het voordeel groter of zelfs véél groter is, dan mag je een mogelijk later nadeel niet uit je gedachten bannen. 

================================================== -->