Beeldende kunst belast met 9% of met 21% btw?

Als iets volgens de regels van de belastingdienst een kunstwerk is, dan mag je het lage tarief van 9% BTW rekenen over je verkoopopbrengst van je kunstwerk. Hoe zit dat precies?

Kunstvoorwerpen belast met 9% of met 21%

De levering van voorwerpen van beeldende kunst is belast met het lage tarief van 9%, wanneer de levering is geschied door de vervaardiger zelf. Deze tekst (ontleend aan de wet) moeten we voor een heldere uitleg eerst ontleden:

  • Het gaat om levering
  • Het gaat om voorwerpen
  • Het gaat om beeldende kunst
  • En het gaat om de kunstenaar zelf
Dit zijn vier criteria die bepalen of de belastingheffing 9% of 21% kan zijn. Aan alle vier de criteria moet worden voldaan om het tarief van 9% te mogen toepassen.

  • Levering betekent dat je product overgaat in bezit of in eigendom, van de een naar de ander. Dat is een onderscheid ten opzichte van dienstverlening, waarin er niets fysiek overgaat van de een naar de ander. De verkoop van een beeldhouwwerk of een schilderij is een levering. Het werk gaat over in eigendom en bezit. Verhuur van werk is eveneens een levering. Het werk gaat over in bezit van de maker naar de huurder. Wanneer je een tekening verkoopt leidt dat eveneens tot levering. Verleen je echter alleen het publicatierecht dan is er geen levering maar een dienst. De illustrator die met behoud van rechten een illustratie maakt voor een uitgever moet daarom 21% omzetbelasting berekenen. Verkoopt de illustrator vervolgens dezelfde tekening aan een particulier mag op die prijs 9% worden berekend, omdat het dan een levering is. Wanneer je een vergoeding krijgt van een culturele instelling of van een gemeente of provincie voor het tentoonstellen van je werk, is dat een vergoeding die vergelijkbaar is met de opbrengst van verhuur van je werk. Het werk gaat tijdelijk over in bezit van die instelling en dat beschouwen we als een levering. 
  • Een voorwerp is iets wat tastbaar is, wat je kunt vastpakken en wat je kunt verplaatsen. Een schilderij is dat; een beeldhouwwerk ook. De levering daarvan is dus belast met het lage tarief van 9%. Maar een schetsontwerp voor een kunstobject is geen voorwerp. De waarde zit in de inhoud, de verbeelding, en die is niet tastbaar. Een ontwerp is daarom belast met 21%. Andere voorbeelden van kunstproducties die geen voorwerp zijn: audio-visuele kunst; muurschilderingen, performances, sommige licht- en geluidsinstallaties. Meer voorbeelden zijn te vinden in de monumentale kunst of kunst in de openbare ruimte. Sommige kunstuitingen zijn zo aard- en nagelvast verbonden met grond of gebouwen dat ze niet meer als voorwerp worden beschouwd maar als onroerend goed. Dit levert veel twijfelgevallen op. Bijvoorbeeld een beeld dat op een sokkel staat, en dat alléén met een zware kraan kan worden verplaatst, is voor de omzetbelasting geen voorwerp meer. Kunstobjecten die met zware bouten aan een pand zijn bevestigd, en die je alléén met een hefvoertuig van de muur kunt verwijderen, gelden ook als onroerend goed, en daardoor niet meer als een voorwerp. Het financiële en fiscale belang van het onderscheid tussen een voorwerp en iets dat niet een voorwerp is kan groot zijn. Dat is enerzijds omdat het probleem zich voordoet bij grote kunstopdrachten waar de bedragen hoog zijn. En bovendien omdat de opdrachtgever vaak een gemeente is of een grote onderwijs- of zorginstelling, die de btw niet kan terugvragen. 
  • Of voorwerpen beeldende kunst zijn kan een discussie opleveren met de belastingdienst. Dat doet zich vooral voor wanneer het kunstobject tevens en overwegend een gebruiksfunctie heeft. Waar de grenzen liggen is niet echt helder. Essentieel is of degene die het kunstobject verwerft het ervaart als kunstvoorwerp of niet. Met schilderijen, tekeningen en beelden is er doorgaans geen probleem. Ze zijn belast met 9%. Maar een zeer kunstzinnig uitgevoerde tafel, waaraan gegeten kan worden is echt een tafel die belast is met 21%. Dit geldt ook wanneer de tafel in een kunstgalerie wordt aangeboden aan een kunstkopend publiek, en zelfs wanneer de tafel is gemaakt door een erkend beeldend kunstenaar. Lijfsieraden kunnen beschouwd worden als draagbare voorwerpen van beeldende kunst, en kunnen dus belast zijn met 9%. Maar dan moet wèl vaststaan dat de maker van het sieraad een erkend beeldend kunstenaar is, en dat hij of zij het sieraad zèlf geleverd heeft. Bovendien moet het sieraad een unicum zijn. Of de maker van het sieraad een erkend beeldend kunstenaar is, moet blijken uit vooropleiding, exposities, artikelen en recensies in kunstbladen etcetera. 
  • Een tweede probleem doet zich voor wanneer het kunstobject niet een unicum is maar in oplage geleverd wordt. Bij kleinere oplagen, en wanneer er door de kunstenaar handmatig geproduceerd wordt of in de totstandkoming wordt ingegrepen, is 9% omzetbelasting toegestaan. Naarmate de productie mechanischer gebeurt en naarmate de oplage groter wordt zal het belastingtarief eerder 21% moeten zijn. Een exacte grens valt niet altijd aan te geven. Vaak geldt een oplage van 8 stuks als grens. Bij zeefdrukken wordt zelfs een grens gesteld bij een oplage van 250 stuks. Bij kunstzinnige foto's is de grens vaak 30 stuks. Boven deze grenzen geldt het 21%-tarief; daar beneden mag 9% worden toegepast. Wij adviseren dit in ieder afzonderlijk geval te beoordelen. Het criterium is altijd of de kunstenaar nog een zodanige invloed heeft in de productie dat gesproken kan worden van creatie door de kunstenaar zelf, ten opzichte van totstandkoming door een machine. 
  • Het vierde criterium voor het lage omzetbelastingtarief is dat je als beeldend kunstenaar zèlf je kunstobject hebt geleverd. Dit betekent dat je èn als beeldend kunstenaar kan worden beschouwd, èn zelf de levering hebt gedaan. Op grond van dit criterium kan er een discussie met de belastingdienst ontstaan over de vraag of je wel beeldend kunstenaar bent. Opleiding, kwalificatie, status, publicaties en bekendheid kunnen daarvoor criteria zijn. Opleiding alléén mag géén criterium zijn. Maar ook de levering moet door jezelf worden gedaan om het lage omzetbelastingtarief te mogen toepassen. Dat betekent dat een galeriehouder je werk alléén met 9% mag leveren aan een kunstkoper, wanneer hij of zij een bemiddelingsrol vervult tussen jou en de koper. Die bemiddelingsrol moet blijken; een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tussen kunstenaar en galerie is daarvoor wel het minst vereiste. Wanneer je een tekening verkoopt aan een belangstellend bedrijf zul je een factuur kunnen schrijven met 9% omzetbelasting omdat je zelf beeldend kunstenaar èn zelf de leverancier bent. Wanneer dat bedrijf later de tekening doorverkoopt, bijvoorbeeld aan een personeelslid, zal het bedrijf de normale 21% omzetbelasting moeten afdragen. 
Waarom deze precisie? Het lage tarief van 9% was ooit bedoeld om de koop van kunst door particulieren en overheden te bevorderen. Zo'n begunstiging moet wel zorgvuldig gebeuren. Hij is niet bedoeld voor fabrikanten die bijzonder vormgegeven peper- en zoutvaatjes produceren, en deze op kosten van de belastingbetaler 15% goedkoper op de markt willen brengen. Het is niet altijd even makkelijk om beeldende kunst te definiëren ten opzicht van productdesign. Vandaar deze criteria die het verlaagde tarief alléén mogelijk moeten maken voor "min of meer unieke voorwerpen, gemaakt en geleverd door een kunstenaar zelf". Opdrachten voor overheden en gemeentelijke instellingen Bij grote kunstopdrachten voor grote instellingen wordt het belang van de exacte criteria bij toepassing van het 9%-tarief erg groot. Een kunstenaar die ten onrechte 9% btw vraagt kan daardoor in enorme financiële problemen komen. Een rekenvoorbeeld: Stel, je krijgt de opdracht van een gemeente voor een monumentaal werk in de openbare ruimte, met een totaal budget van € 100.000 inclusief btw. Dat de prijs inclusief btw wordt bepaald, is omdat gemeenten in sommige gevallen geen recht hebben op teruggave van de btw. De btw is dus voor de opdrachtgever in zo'n geval een kostenpost. Uit dit budget van € 100.000 krijgt de kunstenaar een vergoeding voor het maken van een schetsontwerp, een definitief ontwerp, constructietekeningen, begeleiding van een bouwkundig bureau, en een honorarium voor zijn of haar begeleiding van de bouw. Bovendien moeten uit het budget de bouwers, uitvoerders en aannemers betaald worden. Tenslotte zit ook de btw in dit budget. In een budget van € 100.000 zit een bedrag voor btw van € 8.257 wanneer het percentage 9% is. Wanneer het percentage 21% zou zijn, is het bedrag voor de btw € 17.355. Het scheelt dus nogal wat, namelijk € 9.098, of je 9% of 21% btw moet afdragen. De verleiding is dus groot om maar het 9%-tarief toe te passen. Zeker wanneer de opdrachtgever het goed vindt, en iedereen om je heen zegt dat je werk toch beeldende kunst is, en daarvoor het lage tarief geldt. De verleiding wordt wel heel erg groot wanneer je moet knijpen om uit het budget van € 100.000 alles betaald te krijgen, en er ook nog wat inkomen uit wilt halen. Wanneer je zwicht voor het lage tarief zonder je behoorlijk te laten adviseren, en de belastingdienst blijkt het later absoluut niet met je eens te zijn, loop je kans op een naheffing van de genoemde € 9.098, plus misschien zelfs een boete van 25%. Wèg is je inkomen uit deze mooie opdracht; een jaar voor Jan Doedel gewerkt. Mooi op je CV, maar je kunt naar je ouders of naar de bijstand om in leven te blijven. Pas dus op bij dit soort opdrachten. Laat je niet verleiden tot een te laag btw-tarief, en al helemaal niet door je opdrachtgever. Vraag liever deskundig advies. 

Zekerheid vooraf

Wat doe je als je onzeker bent over het tarief? Juist bij grote monumentale kunstopdrachten is het belangrijk om vooraf te weten wat het juiste omzetbelastingpercentage moet zijn. Immers, zie het voorbeeld hierboven, een vergissing kan tot een grote schade leiden. Vooraf zekerheid verkrijgen kun je langs twee wegen

  • Een standpunt vragen aan de belastingdienst 
  • Overleg voeren met de opdrachtgever 

Je kunt de belastingdienst vooraf vragen om een standpunt. Niet via de belastingtelefoon maar schriftelijk. In dat geval moet je alle mogelijke en relevante documentatie opsturen, zoals de (voorlopige) opdrachtverlening, schetsen, beschrijvingen en foto's, je begroting et cetera. De belastingdienst antwoordt schriftelijk en meestal vrij vlot. In de praktijk is het antwoord altijd risicomijdend voor de belastingdienst. In geval van twijfel zal de belastingdienst altijd vaststellen dat het percentage 21% moet zijn en niet 9%. Het voordeel van de twijfel wordt dus naar de belastingdienst toegetrokken. Dat mag, want je kunt het er altijd nog mee oneens zijn. Maar wanneer je af wilt wijken van het standpunt van de belastingdienst kun je dat niet meer zomaar doen. Je moet er goede gronden voor hebben en je behoort dat te melden. Zoniet, dan loop je het risico van een vervelende naheffingsprocedure met boetes. Misschien kun je je deze moeite besparen door eerst aan je opdrachtgever te vragen of deze al of niet omzetbelastingplichtig is. Als het antwoord ja is, krijgt deze de omzetbelasting terug wanneer jij die factureert en afdraagt. In dat geval kun je zekere voor het onzekere nemen en factureren met 21%. Die 21% krijg je uitbetaald en je draagt die af aan de belastingdienst. Wanneer je opdrachtgever een gemeente of provincie is en je vraagt of deze omzetbelastingplichtig is, moet je er vooral voor zorgen dat het antwoord schriftelijk komt en van de juiste persoon of afdeling. Om precies te zijn moet je bij een overheid vragen of deze omzetbelastingplichtig is of de btw terug kan vragen via het btw-compensatiefonds. Als het antwoord ja is, kun je met goed fatsoen het hoogste btw-tarief factureren. Als de opdrachtgever niet omzetbelastingplichtig is, en je bent nog steeds onzeker of je monumentale kunstwerk met 9% of 21% moet worden belast, heb je nog maar één manier om zekerheid vooraf te verkrijgen, en dat is door een standpunt van een omzetbelastingexpert of de belastingdienst te vragen.

Het 9%-tarief in enkele bijzondere gevallen

Hierboven is uitgelegd dat het lage tarief van 9% geldt voor levering van voorwerpen van beeldende kunst door de kunstenaar zelf. Er zijn twee situaties waarin niet de kunstenaar zelf levert, maar tòch het 9%-tarief mag worden toegepast: 

  • wanneer de erfgenamen van een overleden beeldend kunstenaar het kunstvoorwerp leveren 
  • wanneer het kunstvoorwerp wordt ingevoerd van buiten naar binnen de EU 
In het tweede geval wordt de belasting aan de grens geheven bij degene die invoert. Dat is in de meeste gevallen de koper. Die koper wordt bij de invoer (binnenkomst in Nederland) fictief als leverancier aangemerkt en daardoor belastingplichtig. Bij invoer wordt de verschuldigde omzetbelasting vrijwel altijd op 9% vastgesteld. De koper moet kunnen aantonen dat de eigenlijke leverancier een erkend beeldend kunstenaar is. 

Nog een niet zo bijzonder geval: wanneer een kunstenaar zijn of haar kunstvoorwerp laat verkopen door een galeriehouder, mag óók 9% btw gerekend worden. Immers, het is dan eigenlijk de kunstenaar die het werk verkoopt, maar via de bemiddeling door de galeriehouder. Er moet dan wèl vaststaan dat de galeriehouder een bemiddelaar is, en niet een koper die weer doorverkoopt. Een bemiddelingsovereenkomst tussen kunstenaar en galeriehouder is zéér aan te bevelen; niet alléén om fiscale reden overigens. Maar bovendien moet uit de factuur die de galeriehouder stuurt aan de koper van een kunstwerk, blijken dat het werk wordt verkocht namens de kunstenaar. 

================================================== -->